Mag een journalist graven in het privé-leven van een ander?
Het één-programma Koppen wilde dinsdag 23 oktober een reportage uitzenden over slachtoffers van seksueel misbruik die zich zelf aan kinderporno vergrijpen. Eind september werd er in Leuven een 22-jarige student betrapt op het verspreiden van kinderporno. Hij was zelf vroeger seksueel misbruikt gebruikt en zijn zus was bereid gevonden het verhaal voor Koppen te vertellen. Vlak voor de uitzending werd er een verbod opgelegd door de rechter. De privacy van de student werd volgens de uitspraak in kortgeding te hard geschonden.
Niet alleen de openbare omroep in Vlaanderen maar ook onze Noorderburen bij de zender SBS6 kregen met een dergelijke uitspraak te maken. Men wilde een reportage uitzenden over een veroordeelde pedofiel die niet meer met kinderen mocht werken, maar toch nog steeds zeilkampen voor kinderen organiseerde. De uitzending werd verboden omdat de privacy van de man zou geschonden worden. Het privacy-argument wordt steeds vaker ingeroepen om een uitzending niet te laten door gaan.
De deontologische en ethische regels die journalisten zouden moeten naleven bij de uitoefening van hun beroep vinden hun basis in twee documenten. In de Verklaring der plichten en rechten van de journalist, dat werd aanvaard door de Internationale Federatie van Journalisten (waaronder de AVBB) op het congres van Istanboel in 1972, staat dat het de essentiële plicht van de journalist is om bij het opzoeken en het commentariëren van de gebeurtenissen het privé-leven van personen te eerbiedigen. In de Code van Journalistieke beginselen uit 1982 staat de gelijkaardige regel dat uitgevers, hoofdredacteuren en journalisten de individuele waardigheid en privacy moeten respecteren. Volgens de voorzitter van de Raad van de Journalistiek en tevens docent aan de Vrije Universiteit van Brussel Eric Brewaeys is de eerste regel in de deontologie altijd: “Doe nooit aan een ander wat je niet wil dat ze je zelf aan doen.”
Privacy
Brewaeys stelt samen met Flip Voets, secretaris-generaal en ombudsman van de Raad voor de Journalistiek, dat er geen eenduidige definitie bestaat van wat privacy juist inhoudt, het blijft dus eerder vaag. Wat betekent schending van de privacy dan juist? Voets stelt dat privacy voor iedereen iets anders inhoudt. “De privacy van iemand die meedoet aan een programma als Big Brother is veel kleiner dan van iemand die nooit de publiciteit opzoekt. Je kan iemand die zelf de publiciteit niet opzoekt enkel in de openbaarheid brengen wanneer er redenen zouden zijn van publiek belang, zoals het plegen van een zwaar misdrijf of voorbereiden van een aanslag.” Hier is Brewaeys het mee eens: “Wanneer men daden stelt die een weerslag hebben op de maatschappij is het normaal dat de maatschappij daar op een bepaalde manier van op de hoogte wordt gebracht. De pers oefent mee controle uit over wat er in de maatschappij gebeurt.” Men mag dus in de media de privé-gegevens van iemand meegeven wanneer het maatschappelijk relevant is, maar die maatschappelijke relevantie wordt op zijn beurt ook weer door de journalist zelf bepaald.
De Raad voor de Journalistiek en de rechterlijke instanties oefenen hier controle op uit, zodat eventuele fouten hiertegen kunnen worden rechtgezet. “De regels zijn een beetje uitgezet in de rechtspraak van het Hof van Straatsburg, maar er blijven vele nuances omtrent wat er mag geschreven worden in naam van het maatschappelijk belang dat het eigenlijk niet in preventieve regels te vatten valt. “
Toen Koppen de reportage wilde uitzenden zat de student nog achter de tralies en was het onderzoek naar hem nog aan de gang. Ook dat is een reden om extra voorzichtig om te springen met gegevens over de dader en zijn familie. Brewaeys haalt hier de jurist Walter Van Steenbrugge aan. Die schrijft in zijn boek dat wanneer een zaak nog niet voor de rechtbank behandeld is, men er dan niet mag over schrijven, het sub iudice-beginsel. Brewaeys is het hier echter niet mee eens en vind dat totaal wereldvreemd en paternalistisch. “Wereldvreemd, want je kan niet vermijden dat zoiets gebeurt. Op kleine schaal wordt er over gebabbeld in het café aan de toog, maar het gaat veel verder dat. Op dit ogenblik zitten we met media die wereldomvattend zijn en die daar een serieuze publiciteit aan geven. Het is ook paternalistisch. Er wordt geargumenteerd dat de pers, in rechtszaken waar een jury zetelt, deze jury kan beïnvloeden door hun berichtgeving. Dat is misschien wel waar, maar de mensen hebben toch meer verstand dan dat.”
Uitzendverbod
Brewaeys vindt dat journalisten de privacy van anderen zo veel mogelijk moeten respecteren, maar een uitzendverbod vormt een regelrechte inbreuk op de persvrijheid. Deze persvrijheid wordt gewaarborgd in het artikel 25 van onze grondwet waarin ook gesteld wordt dat censuur nooit kan worden ingevoerd. Voets gaat hier mee akkoord: “Het gaat hier om een principiële zaak. Een uitzendverbod kan niet, ook niet wanneer de privacy van een persoon daardoor geschonden wordt.” Privacy is trouwens een te vaag begrip om je op te baseren om preventief te gaan sanctioneren. Beide heren zijn van mening dat wanneer men vindt dat er fouten zijn gemaakt,men achteraf naar de rechtbank kan stappen om eventueel een schadevergoeding te bekomen. Schade wordt berokkend wanneer men in de media de reputatie van iemand nodeloos schaadt door het vrijgegeven van bijvoorbeeld privé-informatie. Het gedrag van mensen en de feiten die ze stellen komt vaak gewoon van henzelf en ook dat kan voor schade zorgen, zoals Brewaeys stelt: “We moeten leven met de vrijheid van de mensen en de schande die er voortvloeit.”
Wanneer men denkt dat zijn privacy door de media aangetast zal worden, zijn er andere manieren om dit op te lossen dan langs de juridische weg. Voets stelt hier twee alternatieven voor. Ten eerste kan men contact opnemen met de omroep zelf om hen op de hoogte brengen van waar er mogelijk een probleem kan rijzen wanneer men zou doorgaan men de uitzending en dan hun reactie afwachten. Vaak houden de media rekening met argumenten die worden aangevoerd. Men kan dan het programma wijzigen of personen onherkenbaar maken (gezicht vervagen, stem vervormen) wanneer het om privacy gaat. De VRT heeft daaromtrent ook een deontologische richtlijn die geldt voor non-fictieprogramma. Hierin staat geschreven dat men niet verplicht is de identiteit van programmamedewerkers, zoals getuigen, te vernoemen. Men had dat dus in dit geval eventueel kunnen toepassen. Voets heeft nog bij de televisie gewerkt en volgens hem is vooral belangrijk om de belangen tegen elkaar af te wegen: “ Wanneer de bescherming van de privacy zwaarder doorweegt, moet men zich maar tevreden met minder aantrekkelijke beelden.”
De tweede mogelijkheid bestaat er in de Raad voor de Journalistiek op de hoogte te brengen. Zij fungeren als tussenpersoon en nemen dan ook contact op met de betreffende zender. Zo probeert men een oplossing te vinden voor eventuele problemen. “Als ombudsman heb ik zo al veel mensen kunnen helpen en vaak gaat het langs deze weg sneller dan via de rechtbank.”
De discussie over wat zwaarder doorweegt, de persvrijheid of het recht op privacy is nog lang niet ten einde. Journalisten zullen steeds de belangen tegen elkaar moeten afwegen bij het informeren van de samenleving: de maatschappelijke relevantie van een gebeurtenis tegen de schade die kan worden toegebracht door de schending van de privacy. Wat wel zeker is, is dat iedereen in de wereld van de journalistiek tegen de preventieve maatregel van het uitzendverbod gekant is.